WPNR 2003, afl. 6524 - Reorganisaties van personenvennootschappen in het ontwerp Titel 7.13 NBW
Aflevering 6524, gepubliceerd op 08-03-2003 geschreven door Prof. mr. M.J.G.C. Raaijmakers1. Het Wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 BW (hierna: ‘Wv’) brengt de regeling van de maatschap (Boek 7A) en die voor de vof en CV (WvK) in titel 7.13 bijeen als bijzondere overeenkomst van vennootschap, hoewel deze ondernemingsvormen gekenmerkt blijven als vormen van gebonden gemeenschap en de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid kan verkrijgen. Het verschil tussen de burgerlijke maatschap (beroep) en de handelsvennootschappen (bedrijf) verdwijnt. Het Wv onderscheidt de personenvennootschappen (hierna: ‘PV’) als volgt: (a) de niet-openbare (stille) vennootschap die wordt aangeduid als ‘maatschap’, (b) de openbare vennootschap (‘OV’), (c) en de daarvan in de Wv-opzet scherp te onderscheiden openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (‘OVR’), (d) de commanditaire vennootschap die per definitie openbaar is (‘CV’) en (e) de commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid (‘CVR’). De stille CV is ‘maatschap’. De CV op aandelen keert niet terug. De rederij blijft ongewijzigd. Een nieuwe PV-vorm die de partners de mogelijkheid biedt hun aansprakelijkheid op andere wijze dan in een CV te beperken, zoals een Limited Liability Partnership, een Limited Liability Limited Partnership of Partnerschafgesellschaft wordt niet voorgesteld. Voor een openbare beroepsvennootschap wordt de aansprakelijkheid van de ‘maten’ zelfs uitgebreid (hoofdelijkheid). Voor OVR en CVR blijft de huidige aansprakelijkheidsregeling gelden. Het BV-recht wordt ondanks de sterke verwantschap met de OVR/CVR niet versoepeld. Rechtspersoonlijkheid van de OV wordt niet erkend, maar kan worden ‘verkregen’. Wel wordt de zelfstandigheid en continuïteit van de PV versterkt door de hoofdregel dat bij toe- en uittreding de vennootschap wordt voortgezet tussen de overblijvende vennoten. Het Wv brengt enkele belangrijke veranderingen maar niet, zoals de MvT (1.1) stelt: ‘een fundamentele herziening die resulteert in een moderne en voor de praktijk bruikbare regeling van de personenvennootschappen’. Het dwingendrechtelijke karakter en de verzwaring van formele eisen aan ‘oprichting’, het opereren en de ‘omzetting’ van PV’s leidt niet tot vereenvoudiging van persoonsgebonden ondernemings- en samenwerkingsvormen (joint ventures, MKB-ondernemingen, dienstensector, groepsondernemingen). Een breder opgezette herziening van ons ondernemingsrecht blijft dan ook dringend gewenst.Herziening van het Nederlandse ondernemingsrecht, WPNR (2002) 6505, p. 683-692; Reorganisaties van vennootschappen en rechtspersonen, WPNR (1997) 6276, p. 437-443; Uitbreiding juridische fusie en (af) splitsing, WPNR (1997) 6280, p. 520-524; Het begrip onderneming in het privaatrecht, in: Onderneming en overdracht onder algemene titel, Preadviezen Vereeniging Handelsrecht (2002) samen met L.C.A. Verstappen; Pitlo/Raaijmakers, hfdst. 1, 2 en 9. Van groot belang acht ik in dit verband de fundamentele koerswending die voor het Europese ondernemingsrecht is voorgesteld in het eindrapport (4 november 2002) van de High Level Expert Group of Company Law Experts on a Modern Regulatory Framework for Company Law in Europe o.l.v. Prof. J.W. Winter. Vgl. ook Europese Commissie Green Paper Entrepreneurship in Europe, 21 januari 2003, COM (2003)27 final. Het Wv resulteert in nieuwe, kostbare en gecompliceerde ‘barriers to entry’ en verwijdert zich van de uitgangspunten van de MDW-operatie en het EU- beleid dat is gericht op stimulering van bedrijvigheid ter uitvoering van de Lissabon-verklaring van maart 2000 om binnen 10 jaar ‘to become most competitive and dynamic knowledge driven economy in the world, capable of sustainable growth with more and better jons and greater social cohesion’. Het Wv maakt geen expliciete keuze in de jurisdictionele competitie tussen de EU-lidstaten die wordt aangewakkerd door onder meer de Centros- en Überseering-beslissingen van het EHvJZie J.N. Schutte-Veenstra, Ondernemingsrecht 2002, p. 528-532., de door de High Level Expert Group (o.l.v. prof. Jaap Winter) voorgestelde koerswijziging in het Europese ondernemingsrecht en de snelle en ingrijpende veranderingen in het Amerikaanse recht. Verbetering van het Nederlandse ondernemingsklimaat vergt een geïntegreerde aanpak van knelpunten voor starters, MKB- en dienstensector, eenmanszaken, persoonsgebonden BV’s, zelfstandigen zonder personeel, samenwerkingsverbanden, familiebedrijven, bedrijfsreorganisaties, zoals die zich ook voordoen in het insolventie-, belasting-, sociale verzekerings-, pensioen-, erf- en huwelijksgoederenrecht.Men denke aan het onsamenhangende gebruik van begrippen als ‘ondernemer’, ‘onderneming’, ‘lichaam’ en ‘rechtspersoon’, ‘zelfstandige’ en zo meer. Vgl. voor het belastinggrecht: P.H.J. Essers, Enkele fiscale aspecten van het Wetsvoorstel ‘Vaststelling van Titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’, elders in deze WPNR-aflevering. Het privaatrechtelijke ondernemingsrecht dient daarvoor de basis te bieden. Aan de hand van de mij toebedeelde ‘reorganisaties’ wil ik deze kanttekeningen nader toelichten.