WPNR 2003, afl. 6525 - Bestanddeel of zaak? Over het onderscheid en de samenhang tussen de artikelen 3:4 en 5:20 BW. (II, slot)
Aflevering 6525, gepubliceerd op 15-03-2003 geschreven door Mr. E.C.M. WolfertIn het eerste deel van deze bijdrage (WPNR (2003) 6523) is, naar aanleiding van het 'Grafstenen-arrest', ingegaan op de wijze waarop men de verhouding tussen art. 3:4 BW (bestanddeelvorming) en art. 5:20, onderdelen e en f, BW (de eigenaar van de grond is eigenaar van de daarmee verenigde opstallen en beplantingen) pleegt te zien. De heersende opvatting is dat art. 5:20, onderdelen e en f, BW een nadere invulling van art. 3:4 BW vormen. Binnen deze leer zijn twee varianten te onderscheiden. In de eerste variant is er tussen art. 3:4 BW en 5:20, onderdelen e en f, BW sprake van een zuivere lex generalis - lex specialis-verhouding. In de tweede variant beschouwt men art. 5:20, onderdelen e en f, BW slechts als leges speciales ten opzichte van art. 3:4 lid 2 BW. Gebleken is dat beide verschijningsvormen van de heersende opvatting bij verschillende leerstukken tot problemen leiden. Is lex generalis - lex specialis een juiste weergave van de verhouding tussen art. 3:4 BW en art. 5:20, onderdelen e en f, BW, of moet men haar anders zien? In het eerste deel van deze bijdrage (WPNR (2003) 6523) is, naar aanleiding van het ‘Grafstenen-arrest’, ingegaan op de wijze waarop men de verhouding tussen art. 3:4 BW (bestanddeelvorming) en art. 5:20, onderdelen e en f, BW (de eigenaar van de grond is eigenaar van de daarmee verenigde opstallen en beplantingen) pleegt te zien. De heersende opvatting is dat art. 5:20, onderdelen e en f, BW een nadere invulling van art. 3:4 BW vormen. Binnen deze leer zijn twee varianten te onderscheiden. In de eerste variant is er tussen art. 3:4 BW en 5:20, onderdelen e en f, BW sprake van een zuivere lex generalis – lex specialis-verhouding. In de tweede variant beschouwt men art. 5:20, onderdelen e en f, BW slechts als leges speciales ten opzichte van art. 3:4 lid 2 BW. Gebleken is dat beide verschijningsvormen van de heersende opvatting bij verschillende leerstukken tot problemen leiden. Is lex generalis – lex specialis een juiste weergave van de verhouding tussen art. 3:4 BW en art. 5:20, onderdelen e en f, BW, of moet men haar anders zien?