WPNR 2004, afl. 6567 - Reactie op "Voorstel voor wijziging van art. 4:91 BW" van mw. mr. S.G.M. van Lunsen in WPNR
Aflevering 6567, gepubliceerd op 28-02-2004 geschreven door Mr. P.C. van EsVan Lunsen ontvouwt in § 5 van haar artikel in WPNR (2003) 6552 een theorie omtrent de werking van art. 4:91 BW die hierop neerkomt dat het voor de inkorting door een kind op een stiefkind niet noodzakelijk zou zijn dat het kind een legitimaire vordering heeft. Art. 4:91 BW zou zijn eigen inkortingsbevoegdheid scheppen: inkorting door een kind op aan een stiefkind gedane makingen en giften jonger dan vijf jaar zou altijd mogelijk zijn voor zover de waarde van hetgeen het stiefkind aan makingen en giften heeft verkregen, meer beloopt dan de immuniteitsgrens. Deze theorie, die enige steun lijkt te vinden in een in het Handboek Nieuw Erfrecht gegeven voorbeeldHandboek Nieuw Erfrecht (2002), B.C.M. Waaijer, p. 355-356., heeft geen enkele wettelijke basis. Art. 4:91 lid 1 BW bepaalt dat inkorting op een stiefkind onder omstandigheden, in afwijking van de hoofdregels van art. 4:80 tot en met 4:89 BW, niet plaatsheeft. Het artikel voorziet niet in een extra inkortingsmogelijkheid buiten de hoofdregels van art. 4:80 tot en met 4:89 BW om.