WPNR 2003, afl. 6550 - Het aanvangsmoment van de relatieve verjaringstermijn (II, slot)
Aflevering 6550, gepubliceerd op 18-10-2003 geschreven door Mr. J.L. SmeehuizenIn het eerste deel van dit artikel werd geconcludeerd dat de relatieve verjaringstermijn pas behoort aan te vangen als de benadeelde in staat is zijn recht geldend te maken. In het tweede deel van dit artikel worden twee bijzondere vragen over het aanvangsmoment van de relatieve verjaringstermijn beantwoord: (i) Is ook sprake van psychische overmacht tot het instellen van een vordering als benadeelde strikt beschouwd wel in staat was de vordering in te stellen, maar vast staat dat hij zichzelf ernstig psychisch letsel aandoet door zulks te doen? (ii) Wat is rechtens als de benadeelde verhinderd is zijn vordering in te stellen wegens onbekendheid met andere relevante feiten dan die zijn opgesomd in art.3:310 lid 1 BW (daar staat genoemd: bekendheid met dader en schade)? In het eerste deel van dit artikel werd geconcludeerd dat de relatieve verjaringstermijn pas behoort aan te vangen als de benadeelde in staat is zijn recht geldend te maken. In het tweede deel van dit artikel worden twee bijzondere vragen over het aanvangsmoment van de relatieve verjaringstermijn beantwoord: (i) Is ook sprake van psychische overmacht tot het instellen van een vordering als de benadeelde strikt beschouwd wel in staat was de vordering in te stellen, maar vast staat dat hij zichzelf ernstig psychisch letsel aandoet door zulks te doen? (ii) Wat is rechtens als de benadeelde verhinderd is zijn vordering in te stellen wegens onbekendheid met andere relevante feiten dan die zijn opgesomd in art. 3:310 lid l BW (daar staan genoemd: bekendheid met dader en schade)?