WPNR 2008, afl. 6737 - Certificering van vermogen: vereenzelviging voor de inkomstenbelasting?
Aflevering 6737, gepubliceerd op 10-01-2008 geschreven door Mw. mr. S.M.H. Dusarduijn FBBij certificering van vermogen wordt een scheiding aangebracht tussen de juridische eigendom van en het economische belang bij dat vermogen. Deze splitsing vormt doorgaans ook het motief voor certificering. Om uiteenlopende redenen wordt het wenselijk geacht een, soms semi-permeabele, wand te plaatsen tussen de zeggenschap over het vermogen en het recht op de waarde(mutaties) daarvan. Deze scheiding heeft, zoals vele zaken in het leven, ook fiscale consequenties. Hoewel de resultaten zich op uiteenlopende fiscale terreinen kunnen manifesteren, richt deze uiteenzetting zich op de gevolgen van certificering voor de inkomstenbelasting en de notariële heffingen. Daar waar het betoog dit vereist wordt een enkel zijsprongetje naar andere fiscale terreinen niet geschuwd. Essentieel voor dit artikel is de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden certificaten in fiscaal opzicht vereenzelvigd kunnen worden met het daaraan ten grondslag liggende vermogen. Het al dan niet kunnen constateren van een dergelijke ‘transparance fiscale’ heeft immers niet alleen zijn weerslag op een eventuele belastbaarheid van de certificeringshandeling maar ook op de fiscale kwalificatie van de certificaten en de certificaathouder. Gezien de beperkte ruimte richt het betoog zich uitsluitend op de certificering van vermogen in box 2 en box 3. Na een inleidende uiteenzetting over certificering zal aan de hand van het fiscaalrechtelijke eigendomsbegrip worden bezien onder welke voorwaarden sprake kan zijn van vereenzelviging. Deze theoretische uiteenzetting wordt aansluitend getoetst aan de fiscale realiteit van het positieve recht in de inkomstenbelasting waarna vervolgens zal worden gekeken naar eventuele gevolgen van certificering voor successierecht en overdrachtsbelasting. Het betoog zal worden afgesloten met een korte conclusie.