WPNR 2007, afl. 6721 - De Uitvoeringswet grensoverschrijdende fusies
Aflevering 6721, gepubliceerd op 01-09-2007 geschreven door Mw. mr. M.E. Koppenol-LaforceOp 26 oktober 2005 is de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen tot stand gekomen (Richtlijn nr. 2005/56/EG) (“Internationale Fusierichtlijn”, “IFR”).Richtlijn nr. 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen, PbEU 2005, L 310/1-9. Zie hierover J.D.M. Schoonbrood & R. Bosveld, ‘Richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen definitief en in werking getreden’, Ondernemingsrecht 2006, 5, blz. 19-26. De lidstaten dienen hun wetgeving uiterlijk op 15 december 2007 aan deze richtlijn te hebben aangepast. In Nederland is op 15 januari 2007 een voorstel van wet (“Wv”) ingediend en de Tweede Kamer heeft het voorstel inmiddels tot en met een nota van wijziging behandeld. Kamerstukken II 2006-07, 30 929, nr. 1-8. De IFR heeft betrekking op de grensoverschrijdende fusie tussen kapitaalvennootschappen. Hieronder worden ook coöperaties geschaard met een in aandelen verdeeld kapitaal, zij het dat de lidstaten de vrijheid hebben grensoverschrijdende fusies van deze coöperaties uit te sluiten (art. 3, lid 2 IFR).Dit geldt alleen voor coöperaties die een wettelijke kapitaalstructuur hebben, hetgeen niet het geval is bij de Nederlandse coöperatie. P. Storm, ‘Cross-border Mergers, the Rule of Reason and Employee Participation’, European Company Law June 2006, issue 3, blz. 130-138, 134 lijkt de IFL wel toe te passen op Nederlandse coöperaties. Na het Sevic-arrestHvJ EG 13 december 2005, zaak C-411/03 (Sevic Systems AG), welk arrest wordt besproken door Van Solinge en Zilinsky in hun respectieve bijdragen. Zie voor de eerste Nederlandse uitspraak waarin een internationale fusie werd gesauveerd: Rb. Amsterdam (sector kanton), 29 januari 2007, Ondernemingsrecht 2007, 57 m.n. Schutte-Veenstra en JOR 2007/88 m.n. Van Boxel. kan de vraag rijzen of er nog wel behoefte is aan de Internationale Fusierichtlijn. Het ontbreken van specifieke wetgeving ten aanzien van grensoverschrijdende fusies voor de toelaatbaarheid daarvan is immers ingevolge deze uitspraak geen obstakel meer. In mijn visie biedt echter een wettelijke regeling hieromtrent toch nog voldoende toegevoegde waarde, mede omdat de rechten van de werknemer en minderheidsaandeelhouders met de richtlijn en de uitvoeringswet wettelijk verankerd zijn.In dezelfde zin: Commissie Vennootschapsrecht in haar advies aan de Minister van 9 maart 2007 betreffende het voorstel voor de uitvoeringswet waarin bovendien wordt gesteld dat na invoering van de uitvoeringswet er geen andere weg meer openstaat voor een internationale fusie dan die via de IFR zoals voor Nederlandse kapitaalvennootschappen geïmplementeerd in de uitvoeringswet. J.M. Rovers, ‘Grensoverschrijdende fusie na Sevic, de Tiende Richtlijn voorbij?’, NTER 2006, blz. 133-137, 136; W.J.M. van Veen, ‘Hof van Justitie EG over vestigingsvrijheid en grensoverschrijdende fusie; de fusierichtlijn vóór invoering achterhaald?’, WPNR (2006) 6657, blz. 181-184, 184 en Van Boxel (l.c. vorige voetnoot). In de rechtsliteratuur is aan de orde gesteld of de IFR en de Nederlandse uitvoeringswet wel verenigbaar zijn met het recht van vrije vestiging en of de uitvoeringswet eigenlijk niet discriminatoir is, omdat deze een onderscheid maakt tussen nationale en internationale fusies.Hermans/Verbunt, ‘Grensoverschrijdende reorganisaties van vennootschappen’, Tijdschrift voor de Ondernemingsrechtpraktijk, nr. 3, april 2007, blz. 132-137. Storm, l.c., blz. 133 acht het onwaarschijnlijk dat een rechter een regel uit de IFR niet zal toepassen wegens strijd met gemeenschapsrecht. Anderzijds ziet hij in art. 4 lid 2 IFR een mogelijk aanvechtbare bepaling. A.F.J.A. Leijten, ‘Het uittreedrecht voor aandeelhouders volgens het wetsvoorstel grensoverschrijdende fusies (30 929)’, Ondernemingsrecht 2007-8, blz. 305-311, 307, acht vooralsnog, mede vanwege het verschil dat nu ontstaat tussen de oprichting van een SE (geen bescherming minderheidsaandeelhouders) en de grensoverschrijdende fusie waarbij een andere rechtsvorm dan een SE als fusievennootschap wordt gekozen (wel bescherming) terwijl in beide gevallen geen vernietiging van de rechtshandeling kan plaatsvinden, de regeling discriminatoir. Anders: E.E.G. Gepken-Jager, ‘Wetsvoorstel betreffende grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen’, Ondernemingsrecht 2007-8, blz. 298-304, 299, die voor de regeling is en verder het geen beletsel lijkt te vinden dat de SE-uitvoeringswet deze niet heeft. Voor zover de nieuwe, in de Nederlandse wet in te voeren, regels zwaardere eisen stellen aan de grensoverschrijdende fusie dan aan een nationale fusie, is deze in strijd met de vrijheid van vestiging, aldus Hermans/Verbunt. Dit zou in het bijzonder het geval zijn bij het nieuw in te voeren uittreedrecht met schadevergoeding voor de minderheidsaandeelhouders.Het is overigens wel tekenend dat bij de invoering van de uitvoeringswetgeving ter zake van de SE en de SCV de minderheidsaandeelhouders geen extra bescherming behoefden, ook niet bij fusie, terwijl in het wetsvoorstel grensoverschrijdende fusies zonder al te veel deugdelijke onderbouwing (zie Leijten, l.c.) bescherming vanzelfsprekend werd geacht. De voorspelling van Van Veen, l.c., blz. 183 dat de minderheidsaandeelhouders weer niets zouden krijgen, is dus niet uitgekomen. Een dergelijk recht komt minderheidsaandeelhouders in een nationale fusie niet toe. De Raad van State was niet negatief in haar advies maar heeft wel aangedrongen op een betere redenering waarom de wetgever onderscheid maakte tussen minderheidsaandeelhouders bij een nationale fusie en die bij een internationale fusie. Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 5, blz. 3. Het advies van VNONCW van 1 maart 2007 (“Advies VNO-NCW”) is ook negatief (blz. 6-7). De Commissie Vennootschapsrecht heeft zich voor de regeling uitgesproken.