WPNR 2007, afl. 6701 - Boekbespreking. D.M.A. Gerdes, Derdenverrijking
Aflevering 6701, gepubliceerd op 10-03-2007 geschreven door Prof. mr. W.J. ZwalveEnige tijd geleden diende bij de Hoge Raad de navolgende zaak. B en C hadden een maatschap die zich toelegde op de in- en verkoop van wijnen. B had een hoeveelheid wijn van A gekocht; de wijn werd afgeleverd, maar niet betaald. Enige tijd nadien werd B failliet verklaard en daarom trachtte A verhaal te zoeken op C, zulks met het betoog dat de door hem aan B verkochte wijn door deze in de maatschap was ingebracht en dat een deel ervan door C met winst was verkocht, zodat deze ten koste van hem ongerechtvaardigd was verrijkt. C beriep zich op het feit dat slechts de handelende maat aansprakelijk is voor de door deze gesloten overeenkomsten en de vordering van A werd op die grond in eerste aanleg en in hoger beroep afgewezen. De Hoge Raad evenwel oordeelde anders. De gerechten in eerste aanleg en in hoger beroep hadden over het hoofd gezien dat C niet werd aangesproken tot nakoming van de overeenkomst die B met A had gesloten, doch op een andere grond, te weten ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad gaf tevens te kennen dat het A vrij stond de opbrengst van de door C verkochte wijn in de banktegoeden van C te traceren, bij mijn weten de eerste keer dat de Hoge Raad het uit het Anglo-Amerikaanse recht bekende mechanisme van ‘tracing’ heeft toegelaten. Ik moet de lezer die, op dit punt van deze boekbeschouwing aangekomen, mocht willen besluiten dit tijdschrift dicht te slaan om onmiddellijk de tekst van deze uitspraak van de Hoge Raad in zijn (of haar) supersnelle telecommunicatieapparatuur op te roepen, teleurstellen: hij (of zij) zal hem vruchteloos in jol, jor of rechtspraak.nl zoeken. De uitspraak is daarin, geheel ten onrechte natuurlijk, niet opgenomen en wel omdat de Hoge Raad dit arrest wees op basis van het Romeinse recht, dat op 15 december 1745, toen het werd gewezen, het in Holland geldende recht was.Willem Pauw, Observationes tumultuariae novae I (edd. Fischer e.a.), Haarlem 1964, no 145. De zaak behelst een mooi voorbeeld van hetgeen de auteur van het hier te recenseren boek, in navolging overigens van BrandsmaF. Brandsma, RM.Themis 1994, p. 251 e.v., ‘derdenverrijking’ heeft genoemd. Zij kan daarom dienen als uitgangspunt voor de bespreking van het boek van Gerdes.